BIJ HET WERK VAN SAAD ALI
door Paul Meeuws
Waarom hief God, na de zondeval, het paradijs niet op? De cherubs doofde zijn zwaard en sloot voorgoed het hek, als een gedienstige portier. Later zou God de aarde op een ark na verwoesten en daarmee vermoedelijk ook de Hof van Eden. Maar zeker is dat niet.
Aannemelijker is het dat het paradijs, ontstegen aan de geografie en herademend na het vertrek van de zondige mens, een wijkplaats kreeg in de verbeelding van Adams nakomelingen tot op de dag van vandaag.
Zoeken heeft dus geen zin, het paradijs vergezelt ons als een verzegelde schat. Iemand die nu in een appel bijt herinnert zich de smaak van vroeger en proeft het verschil, altijd ten nadele van de huidige appel, die te zoet is of te zuur of geen van beide.
Steeds is er die sappige, schaamteloos wellustige eerste beet, het voelen graven van de tanden in het stevige, schuimige vlees, de ogen stijf dicht, een en al onvoorwaardelijke toewijding. Het paradijs is het ontbreken van scepsis, een onderstroom van argeloze verrukkingen, die onze kennis ondergraaft.
Het werk van Saad Ali ademt een paradijselijke geest.
Hij noemt zijn panelen "Deuren van de Hoop" Daarop beeldt hij het paradijs niet af, het ligt er achter.
Die zekerheid kenmerkt zijn stijl, die even argeloos schijnt als die van zijn antieke voorgangers, voor wie de herinnering aan het paradijs nog iets gemeenschappelijks had. Hun verhalen en afbeeldingen hielden die vers.
De mannen en vrouwen die zijn schilderijen bevolken, - eenlingen tref je er niet op aan,- kijken niet zoals wij kijken. Hun ogen zijn grote ovale juwelen, zoals de minnaar die van zijn geliefde bezingt. Ze zien niets dan goeds. De figuren hebben eigenlijk geen karakter , zij vormen tezamen een karakter, dat van een grote saamhorigheid. Daarmee lijken Saads schilderijen de essentie te willen uitdrukken van een volk. Alles wat dit volk bezielt kan worden getoond.
De liefde is een veeltongig vuur, het liefdesspel bezienswaardigheid. Waar het bedreven wordt, kijkt het volk vanuit de omlijsting toe. Voor schaamte lijkt nog geen reden.
De afzondering waarin het paar zich bevindt is dan ook betrekkelijk, niet meer dan een kleine omlijsting binnen het schilderij, waardoor de compositie iets van een raamvertelling krijgt. Kleine, omkaderde verhaaltjes completeren het geheel.
Soms toont zo'n kader alleen voeten, een reisverhaal, een volk onderweg, of een aantal gezichtsprofielen dat in dezelfde richting kijkt.
Altijd vooruit, vaak iets omhoog.
Het zijn de poortwachters van het paradijs.
Ze hebben lenige contouren, een levendigheid waarop de tijd geen vat heeft. Voor de grillige knikken en groeven van de ouderdom is Saads handschrift te snel en te sierlijk.
Zijn contouren vormen de namen van een oud verhaal. De kleuren worden ingevuld of uitgespaard, waardoor, net als bij de antieke vazenschilders, de ondergrond gedeeltelijk zichtbaar blijft. Daardoor blijven de panelen die Saad uitzocht voor zijn verbeeldingen nadrukkelijk voorwerpen, zoals de oude vazen dat waren, de verbeeldingen zelf verluchtingen in een gedroomde architectuur.
Ook al is het paradijs nooit opgeheven, het is door de feiten overspoeld.
Het oude verhaal behoudt zijn reden van bestaan als je het opnieuw kunt laten gebeuren. Voor de schilder betekent dat, dat hij van zijn scheppingen het scheppen moet laten zien. Daarvoor moet het beproefde principe van de ingekleurde tekening worden omgekeerd. Die voorstelling ontstaat uit de kleurvlek. Dat maakt het werk riskanter, maar het verhaal over de nabijheid van het paradijs wint daardoor aan dramatische kracht. In zijn recente werk verbreekt Saad het zegel. Mensachtige wezens springen uit de schatkist tevoorschijn, een uitzinnig gezelschap, half kras, half veeg. Het is of Saad hier in gevecht is met de clichés uit zijn vroegere werk, de markante profielen met de grote ogen, de beweeglijke handen die bij hun half abstracte metgezellen niet goed weten waar ze grijpen moeten of strelen.
De clichés zijn de herkenningspunten in dit turbulente rendez-vous. Daaraan herkent de een de ander.
In een verticale verfstreek vindt het liefdespaar elkaar,
samengegord tot een wezen, een smal visioen de 'Deur van de Hoop'
op een kier.
De Arabische cultuur is mij vreemd. Erover spreken zou betekenen dat ik mij bezondig aan exotisme: Het vreemde zou het herkenbare vervalsen.
De visioenen van Saad Ali zijn herkenbaar.
Bij alle aangescherpte verschillen tussen de Arabische en Christelijke cultuur, wortelen zijn uitbundige uitingen van primordiale vitaliteit in een gemeenschappelijk gegeven: de noodzaak van kunst.
In een van zijn Egyptische Brieven schreef Bertus Aafjes: 'Uit de nevels der oertijd ontstaat de menselijke cultuur uit niets anders dan uit de noodkreet:
Ik sterf!
Het eerste menselijk kunstwerk is niets anders dan een synoniem van:
Ik wil niet sterven!
Die naïve roep klinkt door in al het werk van Saad, zowel in de deuren van de hoop waarin hij de traditie van het verbeelde verhaal in ere houdt , als in zijn scheppingstekeningen en gouaches, die hij "De Liefde" noemt, toepasselijk en zonder schroom. Hoe experimenteel dat recentere werk er ook moge uitzien, gezocht werd er niet alleen.
Het deelt ons de geestdrift mee van iemand die zijn schat behouden heeft.
Paul Meeuws |